Het doelwit van de Short Stirling LK195 in de nacht van 6 op 7 november 1944 was een specifieke landingszone met de codenaam 'Dudley 3'. Om te begrijpen waarom de bemanning een route over het IJsselmeer koos, moeten we kijken naar de unieke geografische en logistieke situatie van dit afwerpterrein.
Dropzone Dudley 3 bevond zich in de Noordoostpolder. Dit gebied bood ongekende voordelen voor het verzet en de geallieerden. De polder was pas in 1942 drooggelegd en bestond voornamelijk uit uitgestrekte, lege vlaktes. Buiten de bewoners van enkele werkkampen woonde er vrijwel niemand, en de infrastructuur was nog uiterst beperkt.
Omdat er nagenoeg geen burgerbevolking of strategische bebouwing was, was de Duitse militaire aanwezigheid in de polder minimaal. Dit maakte de uitgestrekte rietlanden tot een ideale uitwijkplaats voor onderduikers en een relatief veilige locatie voor het organiseren van nachtelijke wapendroppings.

Het specifieke terrein van Dudley 3 was een moerassig gebied met hoog riet, gelegen ten westen van kamp Emmeloord langs de Espelervaart. Wegen ontbraken; het landschap werd slechts doorsneden door kleine kanaaltjes.
Deze waterwegen waren essentieel voor de logistiek van het verzet. De zware wapencontainers (die elk zo'n 300 kilogram wogen) moesten na een succesvolle dropping in het pikkedonker worden verzameld. Het verzet laadde de buit op platbodems (barges) om ze ongezien over het water te vervoeren. De opvallende lege stalen containers werden vervolgens met stenen verzwaard en tot zinken gebracht in de Espelervaart om elk bewijs van de dropping te wissen. De wapens werden daarna via schepen naar Zwolle gesmokkeld om het Overijsselse verzet te bewapenen.
Afwerpterreinen kregen vaak een lokale naam, maar stonden in de geallieerde logboeken geregistreerd onder de naam van het verantwoordelijke Jedburgh-team. In de nacht van 11 op 12 september 1944 was het Jedburgh-team met de codenaam 'Dudley' gedropt nabij Wierden. Dit team bestond uit de Nederlandse majoor Henk Brinkgreve (codenaam Dudley), de Amerikaanse majoor John Malcolm Olmsted en de Britse sergeant Jon Patrick Austin. Zij coördineerden de wapenaanvragen bij het hoofdkwartier in Londen, waarna de acties de codenaam Dudley kregen.
Gaande weg kwam ik daardoor ook te weet dat codenamen ook gebruikt werden bij de afwerp terreinen in West-Friesland. Daar hebben we de velden Laloe Mandril, sally, maar in sommige documenten kom je dan ook wel eens de code naam Draughts tegen
Deze naam was ook de code naam van Tobias Biallosterski die op 9 september 1944 bij DZ Mandrill wordt gedropt om in Noord-Holland de afwerp terreinen te organiseren
Terwijl Londen de vluchten plande, was het lokale verzet verantwoordelijk voor de ontvangst op de grond. Voor Dudley 3 werd een receptieploeg samengesteld onder leiding van de heer W. Soetendal uit Kampen. Zijn team bestond uit betrouwbare mannen uit de omgeving, waaronder kantoormedewerkers, boerenzoons en onderduikers die in de polder verbleven.
De communicatie over de vluchten verliep via versleutelde berichten op de radio. Als via de Belgian Section van de BBC de slagzin "De gootsteen loopt over" werd uitgezonden, en deze in de avond werd herhaald met een tijdscode, wisten de mannen van Soetendal dat er die nacht een vliegtuig zou komen.
Op 24 en 25 oktober 1944 ontvingen zij op deze manier hun eerste levering. In de nachten van 1 op 2 november en 6 op 7 november stonden zij opnieuw in de ijskoude polder te wachten, maar keken zij tevergeefs naar de donkere hemel. Ze wisten toen nog niet dat de LK195, die voor hen bestemd was, het IJsselmeer nooit was overgestoken.