De Short Stirling LK195 lag in zeer ondiep water, slechts honderd meter uit de kust van Venhuizen. Dit zorgde ervoor dat het wrak direct na de crash goed zichtbaar en bereikbaar was, wat leidde tot verschillende bergingsoperaties door de jaren heen. Deze operaties vertellen een verhaal van oorlogstijd, verzetsheldendom en uiteindelijke militaire ruiming.
De ochtend na de crash, op 7 november 1944, werd het wrak formeel ontdekt door Duitse patrouilles op het water en de dijk. uit een artikel welk verkregen is van het ministerie van defensie kwam naar voren dat de dag er na gezocht is door de KNZHRM. het bericht luide als volgt,
“Op 7 november 1944 voer de motorstrand reddingboot CAA Dudok de Wit om 9.15 uur uit
Enkhuizen teneinde in oostelijke richting te zoeken naar een rubbervlot van een vliegtuig dat de vorige avond bij Venhuizen was neergestort.
Vier lijken waren inmiddels aangespoeld. Buiten het Krabbersgat werd het vlot in de richting van Urk gezien, doch er bleek niemand meer aan boord te zijn
Om 10.00 uur was de reddingsboot in de haven terug.
Wind; Noordwest kracht 7 tot 8 aVuigend met harde vlagen en hagel. Ruwe zee”
In de dagen volgend op de crash borg de Duitse bezetter vijf lichamen van de bemanning. Reginald Nevard, Elmer Rusenstrom en William King werden op 7 november geborgen en kort daarna begraven op 9 november. In eerste instantie lijkt het er op dat Nevard als onbekende wordt begraven
een citaat uit het bericht was: "Aan het gemeente bestuur van Enkhuizen wordt verzocht grafkruisen te vervaardigen met het volgende opschrift:
Grafnummer II L A 9/II (boven)
sergeant-majoor/officier EJ Rusestrom
identiteitsplaatje: J 23963 CRAF
Grafnummer II L A 10/II (onder)
Engels Flight Sergeant William King
nummer 1147346 RAF
Tevens beschrijft de Duitse officier een andere gevonden vlieger. welke tot de bemanning van de Lk195 behoorde.
Van deze persoon is de naam helaas niet bekend, maar hij wordt als volgt beschreven
geen identificatieplaatje; volgende bevindingen:
Uniform van de Engelse luchtmacht, sergeant strepen op de linkerborst, halve vleugel (E).(dit is de insigne van een Engineer) Lengte circa 1.70 m, slank postuur, donkerblond haar, blauwe ogen. Gebit onder goed, boven door de inslag uitgeslagen. Een scheerkistje met opschrift McIntyre R en nummer 1825947, evenals een ring gemerkt R.N., werden aangetroffen.
Grafnummer II L A 10/II (boven) Onbekende Engelse sergeant
Ook het volgende feit dat op donderdag 23 november wordt er door het verzet vermeld dat er die dag dat op een weg in Enkhuizen de identificatie is gevonden van een RAF man genaamd Nevard, met nummer 1836474. men weet niet wie dit is, maar hij heeft, bloedgroep 0.
Dit zou goed aan kunnen geven waardoor de Duitsers Reginald Nevard in eerste instantie niet hebben kunnen identificeren
In latere informatie die ik tegen kom, is op het graf L A 10/11 Boven, de naam van Nevard verschenen
Wanneer Nevard werd geindentificeerd is mij onbkend. In een brief met de datum 19 januari 1945 aan de gemeente enkhuzien wordt hij nog steeds benoemd als onbekende engelse sergeant.
Op de foto hieronder van de eerste kruizen die op de graven waren aangebracht zie je net aan de linkerkand de laatste letters van de naam Nevard met daaronder King
Op 14 november werd het lichaam van piloot Edwin Hodgson in het IJsselmeer gevonden, bijna een maand later gevolgd door bommenrichter George Langley Towns welke op 15 december uit het water werd gehaald door de Wasserschutzpolizei. Towns wordt een dag later op 16 december te aarde gesteld in het graf bij Hodgson
Het lot van het zesde bemanningslid, boordschutter Henry Edward Evans, bleef tot ruim na de bevrijding onbekend. In 1946 waren de lokale bewoners en oud-verzetslieden Frederik Luider en Jan Sijm bezig met baggerwerkzaamheden op de bodem van het IJsselmeer, precies op de locatie van de crash.
Zij slaagden erin de verbrijzelde staart van het vliegtuig boven water te halen. In dit staartstuk ontdekten zij de stoffelijke resten van Evans. Zij brachten zijn lichaam naar de dichtstbijzijnde haven, Broekerhaven, en Frederik Luider zorgde er persoonlijk voor dat Evans een waardige begrafenis kreeg op de Openbare Begraafplaats in Bovenkarspel. Tijdens deze naoorlogse baggerwerkzaamheden haalden zij ook enkele achtergebleven wapencontainers boven water, die ze tijdelijk opsloegen in het machinegebouw van gemaal De Drieban.
Kort na de oorlog haalde de Marine Opruimings Dienst diverse delen van het vliegtuig naar boven. Eén specifiek onderdeel, de stuurknuppel, sprak boekdelen over de laatste seconden van de vlucht. Het onderdeel werd door een lokale inwoner geborgen en was nog in opmerkelijk goede staat. Aan de knuppel was echter te zien dat twee van de drie aluminium spaken zwaar verbogen waren en de plaat voor de voetpedalen was opgerold. Dit wees erop dat piloot Edwin Hodgson tijdens de fatale impact met enorme kracht tegen de stuurkolom was geslagen.
In de decennia die volgden, bleven er wrakstukken en munitie op de bodem van het IJsselmeer achter. Eind 1990 voerde de bergingsdienst van de Koninklijke Luchtmacht een onderzoek uit. Dit leidde tot bezorgdheid dat nog aanwezige munitie en wapens door sportduikers zouden worden opgedoken en in verdachte kringen terecht zouden komen.
Op 29 april 1991 werd er daarom besloten tot een definitieve ruiming. Een duikploeg van de Koninklijke Marine markeerde de resten, waarna de bodem met een zwaar sleepnet minutieus werd afgevist. Er werden geen complete wapens gevonden, wel grote hoeveelheden nog goed bruikbare munitie en enkele handgranaten. Het grootste vliegtuigonderdeel dat werd geborgen, betrof een stuk van een motorophanging.
De autoriteiten concludeerden dat de grotere, zwaardere delen van het vliegtuig door de klap destijds veel te diep in de modderige bodem waren geslagen. Verdere berging zou te kostbaar zijn en had geen meerwaarde meer, waarmee het wrak van de LK195 definitief aan het water werd overgelaten.